1.
Wanneer je aan ouders vraagt waarom een boom een boom is en geen 'moob',
dan antwoorden de ouders vaak met:
(a) weten we niet
(b) zeg maar 'moob'
(c) daarom
(d) eet je bord leeg
2. Jij doet iets wat filosofen ook doen en dat is:
(a) graag spelen
(b) vaak vragen stellen
(c) zwijgen
(d) neuspeuteren
3. Jij en de filosofen willen vaak echt iets weten, omdat
(a) jullie naar stilte verlangen
(b) jullie naar voedsel en drank verlangen
(c) jullie naar jullie ouders verlangen
(d) jullie naar kennis verlangen
4. Als je met je vrienden praat dan zoek je vaak naar:
(a) heldere vragen
(b) onbeantwoordbare vragen
(c) moeilijke antwoorden
(d) domme antwoorden
5. Filosoferen is:
(a) vragen stellen over iets dat vanzelfsprekend
lijkt
(b) vragen stellen over iets dat volslagen onbekend
is
(c) moeilijke vragen stellen
(d) zinloze vragen stellen
^
top ^
6. Welke van de vier volgende vragen is filosofisch?
(a) hoe ziet een 'moob' eruit?
(b) hoe werkt een dieselmotor?
(c) is er een verschil tussen mens en dier?
(d) is er een verschil tussen een Playstation en
een Supernintendo?
7. Filosofische vragen leiden tot:
(a) verschillende antwoorden en tot nieuwe vragen
(b) een antwoord en geen verdere vragen meer
(c) andere onbeantwoordbare vragen
(d) onbegrijpelijke antwoorden
8. Een van de volgende uitspraken is filosofisch; welke?
(a) kinderen zijn speelser dan volwassenen
(b) God woont in de hemel
(c) de waarheid kan je nooit waarnemen
(d) mijn vader kookt beter dan mijn moeder
9. Als je filosofeert moet je wel met goede argumenten komen. Maar wat is
een argument eigenlijk?
(a) het geven van redenen om je standpunt te
ondersteunen
(b) het geven van antwoorden om de ander de mond te
snoeren
(c) het geven van standpunten om je redenen te
ondersteunen
(d) het geven van je standpunt om niet verder meer
te moeten luisteren
10. Vanuit een beperkt aantal basisideeën en basisgedachten probeer je de
wereld te begrijpen. Die basisideeën en basisgedachten noem je ook:
(a) stellingen
(b) voorstellingen
(c) vooronderstellingen
(d) opstellingen
^
top ^
11. Waarden hebben betekenissen en zijn je vaak dierbaar. In de filosofie
zijn ze geestelijk en niet materieel. Je gaat uit van waarden die jij
belangrijk vindt en ziet als een belangrijk onderdeel van je leven. Wat is
hieronder de enige waarde?
(a) vriendschap
(b) geweld
(c) denken
(d) leven
12. Een filosoof zoekt vooral naar:
(a) gedachten
(b) waarheid
(c) ontspanning
(d) kennis
13. Als het goed is, dan is er een relatie tussen jouw waarden en:
(a) de vraag naar het doel van de waarheid
(b) de vraag naar het doel van de onzin
(c) de vraag naar het doel van het leven
(d) de vraag naar het doel van de samenleving
14. Waarden hebben meer dan onze vooronderstellingen een sterke invloed
op:
(a) onze redeneringen en argumenten
(b) onze waarnemingen
(c) onze voorspellingen
(d) onze handelingen
15. Al die vooronderstellingen, waarden, gewoonten en regels bij elkaar
die op een of andere manier onze gedachten sturen, noemen we een:
(a) betekenissysteem
(b) bekentenissysteem
(c) ideeënsysteem
(d) denksysteem
^
top ^
16. Sommige jongeren denken zo anders dan jij, terwijl ze wel op je school
zitten. Je begrijpt ze niet goed of zij begrijpen jou niet goed. Dat komt
door het verschil in:
(a) erfelijke aanleg
(b) sociale achtergrond
(c) referentiekader
(d) intelligentie
17. Wat zit er voor algemeen iets in al die waarden, gevoelens, gedachten,
gewoonten en vooronderstellingen van je?
(a) cultuur
(b) natuur
(c) niets
(d) wilskracht
18. Muziek, dans, boeken lezen, schrijven, schilderen hebben te maken met
de manier waarop je met emoties omgaat en je idee van schoonheid. De
manier waarop je met emotie omgaat, hoe je bepaalde emoties waardeert en
hoe je je emotioneel uit, heeft te maken met je:
(a) waarnemen
(b) handelen
(c) denken
(d) voelen
19. Als je vertrouwen stelt in je logische, berekenende en verklarende
denken dan hecht je veel belang aan de waarde:
(a) mentaliteit
(b) relativiteit
(c) subjectiviteit
(d) rationaliteit
20. Een filosofische vraag rafelen we uiteen door er een analyse van te
maken. Er ontstaan dan deelvragen. De volgorde van die deelvragen is vaak
al:
(a) de oplossing
(b) een deel van de oplossing
(c) een onoplosbaar probleem
(d) een problematische oplossing
^
top ^
21. De beantwoording van die deelvragen is een onderzoek naar
vooronderstellingen. Je vraagt je dan bijvoorbeeld af waarom je denkt wat
denkt. Je blikt dan niet alleen terug op je gedachten, maar ook op je
gevoelens en handelingen. Een ander woord voor terugblikken is:
(a) relativeren
(b) reflecteren
(c) reanimeren
(d) reageren
22. Bij het filosoferen
moet je proberen alle begrippen te begrijpen. Je
moet ze kunnen omschrijven, maar ook hun verhoudingen aangeven met andere
begrippen. Bij het filosoferen gaat het daarom vaak om een:
(a) begripsrelatie
(b) begripsdiagnose
(c) begripsanalyse
(d) begripsbepaling
23. Een belangrijk onderdeel van filosoferen is het onder woorden brengen
van je gedachten. Filosoferen heeft daarom veel te maken met je:
(a) schrijfvaardigheid
(b) spreekvaardigheid
(c) luistervaardigheid
(d) taalvaardigheid
24. Begrippen kunnen elkaar uitsluiten: het begrip leven sluit het begrip
dood uit. Begrippen kunnen elkaar insluiten: het begrip dood sluit het
begrip geweld in. Er zijn in feite veel begripsrelaties aan te geven. Al
die basisbegrippen en hun uitleg komen terecht in een:
(a) theorie
(b) vraagstuk
(c) probleemstelling
(d) denkbeeld
25. Als je filosofeert ben je bezig om een moeilijke filosofische vraag te
vereenvoudigen door vooronderstellingen, begrippen en begripsrelaties zo
helder mogelijk met elkaar te verbinden. Een ander woord voor al die
gedachteconstructies is een:
(a) opsomming
(b) model
(c) referentiekader
(d) probleemstelling
^
top ^
26. Een filosoof zal zich steeds:
(a) kritisch opstellen ten aanzien van meningen en
opvattingen
(b) kritisch opstellen ten aanzien van waarnemingen
en ervaringen
(c) kritisch opstellen ten aanzien van vragen en
antwoorden
(d) kritisch opstellen ten aanzien van handelingen
en gevoelens
7. Kritisch wil zeggen dat je goed nadenkt over de woorden die je zegt.
Kritisch wil ook zeggen dat je standpunt weleens vervangen kan worden door
een beter. Als je kritisch filosofeert dan hou je je bezig met:
(a) persoonsverheerlijking
(b) bewustzijnsverruiming
(c) begripsverheldering
(d) woordenschatuitbreiding
28. In het begin filosofeerden mensen vooral:
(a) om zichzelf te begrijpen
(b) om de mensen om hen heen te begrijpen
(c) om de wereld om hen heen te begrijpen
(d) om het geheim achter de wereld te grijpen
29. Voor Plato begint het filosoferen bij:
(a) de verwondering
(b) de verandering
(c) de verbazing
(d) de verdwazing
30. Op filosofische vragen komt:
(a) een voor altijd en iedereen geldig pasklaar
antwoord
(b) een antwoord dat slechts voor filosofen geldig
is
(c) een voorlopig antwoord
(d) een onbegrijpelijk antwoord
^
top ^
31. Om niet alles wat je verteld wordt voor zoete koek te slikken, moet
je:
(a) je incasseringsvermogen ontwikkelen
(b) je kritisch vermogen ontwikkelen
(c) je taalvermogen ontwikkelen
(d) je waarnemingsvermogen ontwikkelen
32. Voor Plato ga je door te filosoferen je ware verlangens leren kennen
en deze volgen. Door te filosoferen word je dan:
(a) intelligenter
(b) warriger
(c) gelukkiger
(d) uitzinniger
33. De beste weg naar persoonlijk geluk voor Plato is die van de
filosofie. Als filosoof zoek je naar waarheid en schoonheid (die zit o.a.
in de wiskunde). Rijkdom en macht zijn onbelangrijk, want het doel van het
leven is:
(a) zelfkennis
(b) zelfbedrog
(c) zelfgenoegzaamheid
(d) zelfbeheersing
34. Voor Wittgenstein zitten er in de filosofie veel begrippen zonder
betekenis. Filosofie moet op zoek gaan naar begrippen die wel iets
betekenen en die verwijzen naar de waarneembare werkelijkheid. Voor hem is
filosoferen meer het oplossen van problemen. Problemen ontstaan vaak door:
(a) slechte gedachten
(b) slechte mensen
(c) slechte gewoonten
(d) slecht taalgebruik
35. Nietzsche zegt dat al onze filosofieën slechts verzinsels hebben
opgebracht. Al die filosofieën hebben we bedacht omdat we niet willen
weten dat er:
(a) niets dan de wereld is waarin we denken te
leven
(b) niets dan de wereld is waarin we werkelijk
willen leven
(c) niets is achter de wereld waarin we denken te
leven
(d) niets is achter de wereld waarin we werkelijk
willen leven
^
top ^
36. Vragen stel je vanuit je eigen invalshoek, je eigen perspectief.
Iedereen kijkt in feite op zijn of haar eigen manier naar de wereld om
hem/haar heen. Het kijken naar de wereld vanuit je eigen perspectief zegt
altijd iets over je:
(a) zelfonderzoek
(b) zelfbeeld
(c) zelfzucht
(d) zelfstrijd
37. Een typisch kenmerk van de mens in vergelijking met andere levende
wezens is:
(a) zijn instinctarmoede
(b) zijn denkluiheid
(c) zijn door natuur onderdrukte cultuur
(d) zijn door cultuur onderdrukte natuur
38. De gedachtewereld is vaak rijker dan de woorden voor die gedachten.
Maar duidelijk worden gedachten pas na verwoording. Voor Merleau-Ponty is
het woord:
(a) het omhulsel van de gedachte
(b) de helft van de gedachte
(c) het lichaam van de gedachte
(d) de verbindingsbrug met de gedachte
39. Voor Chomsky verschilt een mens van dieren en van automaten en
computers door:
(a) zijn leervermogen
(b) zijn herinneringsvermogen
(c) zijn taalvermogen
(d) zijn rekenvermogen
40. Elk kind bezit voor Chomsky een soort aangeboren en voorgecodeerd
programma waarmee elke taal geleerd kan worden. Elk kind kan dus even snel
een andere moedertaal leren, omdat elk kind in zijn hoofd een:
(a) taalgevoel heeft
(b) universele grammatica heeft
(c) universele taal heeft
(d) taalcomputer heeft
^
top ^
41. Regels die aangeven wat goed en verkeerd is in het handelen, heten:
(a) logische regels
(b) ethische regels
(c) morele regels
(d) sociale regels
42. Voor de stoïcijnen kan alleen deugdzaam leven ons gelukkig maken. Wij
zijn immers van aard redelijke wezens. Toch zijn het de affecten, de
hartstochten en de driften die de rede beïnvloeden. Door rustig en
onbewogen te blijven, worden we wijs en vrij. Die toestand van
redelijkheid en hartstochtloosheid heet:
(a) apathie
(b) psychopathie
(c) sympathie
(d) antipathie
43. Plato zoekt naar algemene begrippen die onafhankelijk van de
waarneembare wereld zijn. Algemeen geldige kennis kan alleen via deze
algemene begrippen worden bereikt. Hoe noemt hij die algemene begrippen?
(a) de beelden
(b) de ideeën
(c) de wetten
(d) de objecten
44. Wat is volgens Plato de taak van de filosofen?
(a) jou proberen te bevrijden van je herinneringen
(b) jou proberen te bevrijden van je verlangens
(c) jou proberen te bevrijden van je schijnkennis
(d) jou proberen te bevrijden van je
schijngevoelens
45. De Politeia van Plato geeft een beschrijving van een ideale staat. Van
welke idee moet die ideale staat uitgaan?
(a) de idee van het politiek juiste
(b) de idee van het algemene
(c) de idee van het goede
(d) de idee van het ideale
^
top ^
46. Waarmee moet de staat je helpen?
(a) om via kennis van de ideeën de theorie in
praktijk te brengen
(b) om via kennis van de ideeën de politiek in
praktijk te brengen
(c) om via kennis van de ideeën de vrijheid in
praktijk te brengen
(d) om via kennis van de ideeën de deugd in
praktijk te brengen
47. In Plato's staat zijn de mensen ongelijk. Waardoor wordt deze
ongelijkheid veroorzaakt?
(a) doordat niet iedereen evenveel zelfkennis bezit
(b) doordat niet iedereen evenveel algemene kennis
bezit
(c) doordat niet iedereen evenveel ideeënkennis
bezit
(d) doordat niet iedereen evenveel staatskennis
bezit
48. Er zijn drie zielsdelen in je en er zijn drie groepen in de staat.
Individu en staat lijken elkaars spiegelbeeld te zijn. Bij de laagste
stand heeft in de ziel het begerende deel de overhand. Bij de middenstand
het strevende deel want er moet geld verdiend worden. Bij de hoge stand
van de bestuurders en de filosofen heeft het kennende deel van de ziel de
overhand. Wat houdt rechtvaardigheid in zo'n staat eigenlijk in?
(a) iedere stand doet alles om de andere stand te
dienen
(b) iedere stand doet wat hij moet doen
(c) iedere stand doet waartoe hij geschikt bevonden
wordt
(d) iedere stand doet waarin hij zin heeft
49. De leider van de ideale staat is een filosoof-koning die optimale
kennis van de ideeën bezit en daarom ook optimaal kan regeren. Iedereen
onderwerpt zich aan de visie van de filosoof-koning. Wat vind je van zo'n
staat?
(a) deze is democratisch
(b) deze is liberaal
(c) deze is conservatief
(d) deze is totalitair
50. Plato is geen voorstander van een aristocratie. Winstbejag leidt
immers tot ondergang en bevordert alleen maar de slechte kant in je. Van
democratie houdt hij ook niet. Dan wordt de juistheid van elke beslissing
in twijfel getrokken en wordt de staat onbestuurbaar, omdat er veel te
lang gediscussieerd gaat worden en uiteindeljk geen klap wordt uitgevoerd.
Dus?
(a) democratie leidt tot een te grote vrijheid
(b) democratie leidt tot een te grote gelijkheid
(c) democratie leidt tot een te grote braafheid
(d) democratie leidt tot een te grote domheid
^
top ^
51. Bij de ondergang van de democratie wordt de roep om een sterke man
groot. Deze persoon erkent geen wetten en zoekt alleen naar persoonlijke
verrijking. Ver weg van de filosoof-koning staat deze persoon niet, want
als hij zich de kennis van het idee van het goede eigen maakt, is hij in
staat het juiste politieke inzicht te verwerven. Wie is deze persoon?
(a) de filosoof-kroonprins
(b) de tiran
(c) de revolutionair
(d) de anarchist
52. Jouw ziel heeft volgens Plato de ideeën volledig kunnen schouwen in
de ideeënwereld voordat je op aarde in een lichaam moest gaan wonen. In
feite wist je alles voordat je geboren bent. Helaas is al die kennis
tijdens de geboorte verloren gegaan. Door de waarneming wordt beetje bij
beetje deze kennis weer opgeroepen. Wat is kennis dan eigenlijk?
(a) vage ideeën
(b) herinneringen
(c) gedachten
(d) dromen
53. De echte kennis heeft ideeën tot object en komt tot stand in het
verstandelijke deel van je ziel. Behalve echte kennis zit je ook vol met
schijnkennis. De schijnkennis of mening krijg je binnen via je zintuigen
en hebben geen ideeën tot object. Waarover gaat die schijnkennis dan wel?
(a) de aardse (schijn)werkelijkheid
(b) de dromenwereld
(c) de wereld van de schijnideeën
(d) de wereld van het denken
54. Volgens Plato zit er in jouw ziel een ingeboren verlangen naar het
goede en het schone. Dat verlangen zet jou aan om je te vervolmaken en
vult je met heimwee naar de wereld waarin jij je bevond, voordat je
geboren bent. Hoe heet die band van de ziel met de ideeën of, anders
gezegd, dat verlangen van het eindige naar het onsterfelijke?
(a) de liefde
(b) de passie
(c) de wil
(d) de herinnering
55. Volgens Plato ben je niet meer dan een gevangene in een grot die aan
een paal zit vastgeketend. Je zit met je rug naar het licht van een vuur
(en de zon) en je kan alleen maar voor je naar een muur kijken (zoiets als
een bioscoop- of een televisie- of een computerscherm dus). Op die muur
voor je zie je slechts schaduwen van de bewegende beelden achter je.
Doordat er ook geluiden, geuren, smaken, enz. worden geproduceerd, denk je
dat je in de echte werkelijkheid zit. Helaas. Schijn bedriegt immers. Als
je de moeite zou nemen om je (als een Houdini) uit de ketenen te bevrijden
en naar boven naar het vuur (en de zon) te klauteren, dan zal je pas
begrijpen hoe je als gevangene bedrogen werd. Eenmaal boven en buiten in
het land van de ideeën zal je pas echt vrij zijn. Je zal geen kopieën
zien maar de dingen zoals ze zijn. Wat doe je op zo'n moment? Je bent
zielsgelukkig en rent terug de grot in. Wat zullen je medegevangenen tegen
je zeggen als je naar ze terugkeert?
(a) ze zullen je geloven en vragen hun ketenen los
te maken
(b) ze zullen je vragen hun ketenen vaster te maken
want ze willen je niet geloven
(c) ze zullen je voor gek verklaren en vragen weg
te gaan
(d) ze zullen je niet kunnen horen of zien want je
bent geen schaduw meer van jezelf
^
top ^
56. Welk vak dat op je school gegeven wordt benadert de wereld van de
ideeën het meest?
(a) gymnastiek
(b) maatschappijleer
(c) taal
(d) wiskunde
57. Voor Plato worden de ideeën niet beperkt door ruimte en tijd. Ze
bestaan in een slechts voor het denken toegankelijke wereld. Hoe noemt hij
die wereld ook?
(a) het zijn
(b) de wereld
(c) het worden
(d) het bestaan
58. De ideeën van Plato zijn hiërarchisch geordend. Hoe omvattender en
algemener het begrip, des te hoger is zijn status. Wat is de hoogste idee?
(a) de idee van het Denkbare
(b) de idee van het Hemelse
(c) de idee van het Onvoorstelbare
(d) de idee van het Goede
59. Plato zegt niet dat de idee 'paard' is gegeven omdat het paard bestaat
maar omgekeerd dat het paard bestaat omdat de idee 'paard' is gegeven. Wat
vormen de ideeën van Plato?
(a) het doel van het bestaan van alle waarneembare
dingen
(b) de oorzaak van het bestaan van alle
waarneembare dingen
(c) het gevolg van het bestaan van alle
waarneembare dingen
(d) het begin van het bestaan van alle waarneembare
dingen
60. Je kent de dingen die je ziet voorzover zij afschaduwingen zijn van de
ideeën. Wat vormt de verbinding tussen ideeën en de waarneembare wereld?
(a) de kennis
(b) de gedachte
(c) de wereld
(d) het bestaan
^
top ^
61. Je platoonse ziel is niet alleen een soort buitenaards wezen dat in je
lichaam huist als in een gevangenis, je ziel is ook het beginsel van
beweging en leven in je lijf en het zedelijk besef. Dan is je ziel nog een
ding. Wat?
(a) het subject van het bewustzijn
(b) het subject van de geest
(c) het subject van het lichaam
(d) het subject van het denken
62. Je moet er volgens Plato voor zorgen dat de verlangens van je ziel de
overhand in je krijgen ten koste van de verlangens van je lichaam. Maar
waarom mag je eigenlijk niet toegeven aan die lichamelijke verlangens?
(a) anders word je nooit verlost uit de wereld van
de ideeën
(b) anders word je nooit verlost uit de aardse
schijnwereld
(c) anders word je nooit verlost uit je lichaam
(d) anders word je nooit verlost uit je geest