home     filosoferen met kinderen - robert de vos

De Hersenknarsquiz


Deze quiz

>>  is bedoeld voor filosofisch geschoolden of jongeren (vanaf ongeveer 16 jaar) die weleens een filosofieboek of twee hebben opengeslagen;

>>  is in de vorm van een meerkeuzetoets (slechts 1 antwoord is mogelijk).

Om rustiger te kunnen nadenken kun je deze bladzijde uitprinten... (printbare versie)

Het zijn 62 vragen, kijk maar hoe ver je komt.

 

 

Mail me je antwoorden, dan krijg je de juiste snel teruggestuurd.
Zie adres beneden aan de bladzijde.
Veel succes!

Voor beginnende filosoofjes vanaf 8 jaar:
de Wijsjesquiz

Voor jongeren vanaf 11 jaar:
de Spelenderwijsgerigquiz

Voor jongeren vanaf 13 jaar:
de Benikwelgoedwijsquiz

Voor jongeren vanaf 14 jaar:
de Wijsneuzenquiz


1. Wanneer je aan ouders vraagt waarom een boom een boom is en geen 'moob', dan antwoorden de ouders vaak met:
(a)    weten we niet
(b)    zeg maar 'moob'
(c)    daarom
(d)    eet je bord leeg

2. Jij doet iets wat filosofen ook doen en dat is:
(a)    graag spelen
(b)    vaak vragen stellen
(c)    zwijgen
(d)    neuspeuteren

3. Jij en de filosofen willen vaak echt iets weten, omdat
(a)    jullie naar stilte verlangen
(b)    jullie naar voedsel en drank verlangen
(c)    jullie naar jullie ouders verlangen
(d)    jullie naar kennis verlangen

4. Als je met je vrienden praat dan zoek je vaak naar:
(a)    heldere vragen
(b)    onbeantwoordbare vragen
(c)    moeilijke antwoorden
(d)    domme antwoorden

5. Filosoferen is:
(a)    vragen stellen over iets dat vanzelfsprekend lijkt
(b)    vragen stellen over iets dat volslagen onbekend is
(c)    moeilijke vragen stellen
(d)    zinloze vragen stellen

^ top ^

6. Welke van de vier volgende vragen is filosofisch?
(a)    hoe ziet een 'moob' eruit?
(b)    hoe werkt een dieselmotor?
(c)    is er een verschil tussen mens en dier?
(d)    is er een verschil tussen een Playstation en een Supernintendo?

7. Filosofische vragen leiden tot:
(a)    verschillende antwoorden en tot nieuwe vragen
(b)    een antwoord en geen verdere vragen meer
(c)    andere onbeantwoordbare vragen
(d)    onbegrijpelijke antwoorden

8. Een van de volgende uitspraken is filosofisch; welke?
(a)    kinderen zijn speelser dan volwassenen
(b)    God woont in de hemel
(c)    de waarheid kan je nooit waarnemen
(d)    mijn vader kookt beter dan mijn moeder

9. Als je filosofeert moet je wel met goede argumenten komen. Maar wat is een argument eigenlijk?
(a)    het geven van redenen om je standpunt te ondersteunen
(b)    het geven van antwoorden om de ander de mond te snoeren
(c)    het geven van standpunten om je redenen te ondersteunen
(d)    het geven van je standpunt om niet verder meer te moeten luisteren

10. Vanuit een beperkt aantal basisideeën en basisgedachten probeer je de wereld te begrijpen. Die basisideeën en basisgedachten noem je ook:
(a)    stellingen
(b)    voorstellingen
(c)    vooronderstellingen
(d)    opstellingen

^ top ^

11. Waarden hebben betekenissen en zijn je vaak dierbaar. In de filosofie zijn ze geestelijk en niet materieel. Je gaat uit van waarden die jij belangrijk vindt en ziet als een belangrijk onderdeel van je leven. Wat is hieronder de enige waarde?
(a)    vriendschap
(b)    geweld
(c)    denken
(d)    leven

12. Een filosoof zoekt vooral naar:
(a)    gedachten
(b)    waarheid
(c)    ontspanning
(d)    kennis

13. Als het goed is, dan is er een relatie tussen jouw waarden en:
(a)    de vraag naar het doel van de waarheid
(b)    de vraag naar het doel van de onzin
(c)    de vraag naar het doel van het leven
(d)    de vraag naar het doel van de samenleving

14. Waarden hebben meer dan onze vooronderstellingen een sterke invloed op:
(a)    onze redeneringen en argumenten
(b)    onze waarnemingen
(c)    onze voorspellingen
(d)    onze handelingen

15. Al die vooronderstellingen, waarden, gewoonten en regels bij elkaar die op een of andere manier onze gedachten sturen, noemen we een:
(a)    betekenissysteem
(b)    bekentenissysteem
(c)    ideeënsysteem
(d)    denksysteem

^ top ^

16. Sommige jongeren denken zo anders dan jij, terwijl ze wel op je school zitten. Je begrijpt ze niet goed of zij begrijpen jou niet goed. Dat komt door het verschil in:
(a)    erfelijke aanleg
(b)    sociale achtergrond
(c)    referentiekader
(d)    intelligentie

17. Wat zit er voor algemeen iets in al die waarden, gevoelens, gedachten, gewoonten en vooronderstellingen van je?
(a)    cultuur
(b)    natuur
(c)    niets
(d)    wilskracht

18. Muziek, dans, boeken lezen, schrijven, schilderen hebben te maken met de manier waarop je met emoties omgaat en je idee van schoonheid. De manier waarop je met emotie omgaat, hoe je bepaalde emoties waardeert en hoe je je emotioneel uit, heeft te maken met je:
(a)    waarnemen
(b)    handelen
(c)    denken
(d)    voelen

19. Als je vertrouwen stelt in je logische, berekenende en verklarende denken dan hecht je veel belang aan de waarde:
(a)    mentaliteit
(b)    relativiteit
(c)    subjectiviteit
(d)    rationaliteit

20. Een filosofische vraag rafelen we uiteen door er een analyse van te maken. Er ontstaan dan deelvragen. De volgorde van die deelvragen is vaak al:
(a)    de oplossing
(b)    een deel van de oplossing
(c)    een onoplosbaar probleem
(d)    een problematische oplossing

^ top ^

21. De beantwoording van die deelvragen is een onderzoek naar vooronderstellingen. Je vraagt je dan bijvoorbeeld af waarom je denkt wat denkt. Je blikt dan niet alleen terug op je gedachten, maar ook op je gevoelens en handelingen. Een ander woord voor terugblikken is:
(a)    relativeren
(b)    reflecteren
(c)    reanimeren
(d)    reageren

22. Bij het filosoferen moet je proberen alle begrippen te begrijpen. Je moet ze kunnen omschrijven, maar ook hun verhoudingen aangeven met andere begrippen. Bij het filosoferen gaat het daarom vaak om een:
(a)    begripsrelatie
(b)    begripsdiagnose
(c)    begripsanalyse
(d)    begripsbepaling

23. Een belangrijk onderdeel van filosoferen is het onder woorden brengen van je gedachten. Filosoferen heeft daarom veel te maken met je:
(a)    schrijfvaardigheid
(b)    spreekvaardigheid
(c)    luistervaardigheid
(d)    taalvaardigheid

24. Begrippen kunnen elkaar uitsluiten: het begrip leven sluit het begrip dood uit. Begrippen kunnen elkaar insluiten: het begrip dood sluit het begrip geweld in. Er zijn in feite veel begripsrelaties aan te geven. Al die basisbegrippen en hun uitleg komen terecht in een:
(a)    theorie
(b)    vraagstuk
(c)    probleemstelling
(d)    denkbeeld

25. Als je filosofeert ben je bezig om een moeilijke filosofische vraag te vereenvoudigen door vooronderstellingen, begrippen en begripsrelaties zo helder mogelijk met elkaar te verbinden. Een ander woord voor al die gedachteconstructies is een:
(a)    opsomming
(b)    model
(c)    referentiekader
(d)    probleemstelling

^ top ^

26. Een filosoof zal zich steeds:
(a)    kritisch opstellen ten aanzien van meningen en opvattingen
(b)    kritisch opstellen ten aanzien van waarnemingen en ervaringen
(c)    kritisch opstellen ten aanzien van vragen en antwoorden
(d)    kritisch opstellen ten aanzien van handelingen en gevoelens

7. Kritisch wil zeggen dat je goed nadenkt over de woorden die je zegt. Kritisch wil ook zeggen dat je standpunt weleens vervangen kan worden door een beter. Als je kritisch filosofeert dan hou je je bezig met:
(a)    persoonsverheerlijking
(b)    bewustzijnsverruiming
(c)    begripsverheldering
(d)    woordenschatuitbreiding

28. In het begin filosofeerden mensen vooral:
(a)    om zichzelf te begrijpen
(b)    om de mensen om hen heen te begrijpen
(c)    om de wereld om hen heen te begrijpen
(d)    om het geheim achter de wereld te grijpen

29. Voor Plato begint het filosoferen bij:
(a)    de verwondering
(b)    de verandering
(c)    de verbazing
(d)    de verdwazing

30. Op filosofische vragen komt:
(a)    een voor altijd en iedereen geldig pasklaar antwoord
(b)    een antwoord dat slechts voor filosofen geldig is
(c)    een voorlopig antwoord
(d)    een onbegrijpelijk antwoord

^ top ^

31. Om niet alles wat je verteld wordt voor zoete koek te slikken, moet je:
(a)    je incasseringsvermogen ontwikkelen
(b)    je kritisch vermogen ontwikkelen
(c)    je taalvermogen ontwikkelen
(d)    je waarnemingsvermogen ontwikkelen

32. Voor Plato ga je door te filosoferen je ware verlangens leren kennen en deze volgen. Door te filosoferen word je dan:
(a)    intelligenter
(b)    warriger
(c)    gelukkiger
(d)    uitzinniger

33. De beste weg naar persoonlijk geluk voor Plato is die van de filosofie. Als filosoof zoek je naar waarheid en schoonheid (die zit o.a. in de wiskunde). Rijkdom en macht zijn onbelangrijk, want het doel van het leven is:
(a)    zelfkennis
(b)    zelfbedrog
(c)    zelfgenoegzaamheid
(d)    zelfbeheersing

34. Voor Wittgenstein zitten er in de filosofie veel begrippen zonder betekenis. Filosofie moet op zoek gaan naar begrippen die wel iets betekenen en die verwijzen naar de waarneembare werkelijkheid. Voor hem is filosoferen meer het oplossen van problemen. Problemen ontstaan vaak door:
(a)    slechte gedachten
(b)    slechte mensen
(c)    slechte gewoonten
(d)    slecht taalgebruik

35. Nietzsche zegt dat al onze filosofieën slechts verzinsels hebben opgebracht. Al die filosofieën hebben we bedacht omdat we niet willen weten dat er:
(a)    niets dan de wereld is waarin we denken te leven
(b)    niets dan de wereld is waarin we werkelijk willen leven
(c)    niets is achter de wereld waarin we denken te leven
(d)    niets is achter de wereld waarin we werkelijk willen leven

^ top ^

36. Vragen stel je vanuit je eigen invalshoek, je eigen perspectief. Iedereen kijkt in feite op zijn of haar eigen manier naar de wereld om hem/haar heen. Het kijken naar de wereld vanuit je eigen perspectief zegt altijd iets over je:
(a)    zelfonderzoek
(b)    zelfbeeld
(c)    zelfzucht
(d)    zelfstrijd

37. Een typisch kenmerk van de mens in vergelijking met andere levende wezens is:
(a)    zijn instinctarmoede
(b)    zijn denkluiheid
(c)    zijn door natuur onderdrukte cultuur
(d)    zijn door cultuur onderdrukte natuur

38. De gedachtewereld is vaak rijker dan de woorden voor die gedachten. Maar duidelijk worden gedachten pas na verwoording. Voor Merleau-Ponty is het woord:
(a)    het omhulsel van de gedachte
(b)    de helft van de gedachte
(c)    het lichaam van de gedachte
(d)    de verbindingsbrug met de gedachte

39. Voor Chomsky verschilt een mens van dieren en van automaten en computers door:
(a)    zijn leervermogen
(b)    zijn herinneringsvermogen
(c)    zijn taalvermogen
(d)    zijn rekenvermogen

40. Elk kind bezit voor Chomsky een soort aangeboren en voorgecodeerd programma waarmee elke taal geleerd kan worden. Elk kind kan dus even snel een andere moedertaal leren, omdat elk kind in zijn hoofd een:
(a)    taalgevoel heeft
(b)    universele grammatica heeft
(c)    universele taal heeft
(d)    taalcomputer heeft

^ top ^

41. Regels die aangeven wat goed en verkeerd is in het handelen, heten:
(a)    logische regels
(b)    ethische regels
(c)    morele regels
(d)    sociale regels

42. Voor de stoïcijnen kan alleen deugdzaam leven ons gelukkig maken. Wij zijn immers van aard redelijke wezens. Toch zijn het de affecten, de hartstochten en de driften die de rede beïnvloeden. Door rustig en onbewogen te blijven, worden we wijs en vrij. Die toestand van redelijkheid en hartstochtloosheid heet:
(a)    apathie
(b)    psychopathie
(c)    sympathie
(d)    antipathie

43. Plato zoekt naar algemene begrippen die onafhankelijk van de waarneembare wereld zijn. Algemeen geldige kennis kan alleen via deze algemene begrippen worden bereikt. Hoe noemt hij die algemene begrippen?
(a)    de beelden
(b)    de ideeën
(c)    de wetten
(d)    de objecten

44. Wat is volgens Plato de taak van de filosofen?
(a)    jou proberen te bevrijden van je herinneringen
(b)    jou proberen te bevrijden van je verlangens
(c)    jou proberen te bevrijden van je schijnkennis
(d)    jou proberen te bevrijden van je schijngevoelens

45. De Politeia van Plato geeft een beschrijving van een ideale staat. Van welke idee moet die ideale staat uitgaan?
(a)    de idee van het politiek juiste
(b)    de idee van het algemene
(c)    de idee van het goede
(d)    de idee van het ideale

^ top ^

46. Waarmee moet de staat je helpen?
(a)    om via kennis van de ideeën de theorie in praktijk te brengen
(b)    om via kennis van de ideeën de politiek in praktijk te brengen
(c)    om via kennis van de ideeën de vrijheid in praktijk te brengen
(d)    om via kennis van de ideeën de deugd in praktijk te brengen

47. In Plato's staat zijn de mensen ongelijk. Waardoor wordt deze ongelijkheid veroorzaakt?
(a)    doordat niet iedereen evenveel zelfkennis bezit
(b)    doordat niet iedereen evenveel algemene kennis bezit
(c)    doordat niet iedereen evenveel ideeënkennis bezit
(d)    doordat niet iedereen evenveel staatskennis bezit

48. Er zijn drie zielsdelen in je en er zijn drie groepen in de staat. Individu en staat lijken elkaars spiegelbeeld te zijn. Bij de laagste stand heeft in de ziel het begerende deel de overhand. Bij de middenstand het strevende deel want er moet geld verdiend worden. Bij de hoge stand van de bestuurders en de filosofen heeft het kennende deel van de ziel de overhand. Wat houdt rechtvaardigheid in zo'n staat eigenlijk in?
(a)    iedere stand doet alles om de andere stand te dienen
(b)    iedere stand doet wat hij moet doen
(c)    iedere stand doet waartoe hij geschikt bevonden wordt
(d)    iedere stand doet waarin hij zin heeft

49. De leider van de ideale staat is een filosoof-koning die optimale kennis van de ideeën bezit en daarom ook optimaal kan regeren. Iedereen onderwerpt zich aan de visie van de filosoof-koning. Wat vind je van zo'n staat?
(a)    deze is democratisch
(b)    deze is liberaal
(c)    deze is conservatief
(d)    deze is totalitair

50. Plato is geen voorstander van een aristocratie. Winstbejag leidt immers tot ondergang en bevordert alleen maar de slechte kant in je. Van democratie houdt hij ook niet. Dan wordt de juistheid van elke beslissing in twijfel getrokken en wordt de staat onbestuurbaar, omdat er veel te lang gediscussieerd gaat worden en uiteindeljk geen klap wordt uitgevoerd. Dus?
(a)    democratie leidt tot een te grote vrijheid
(b)    democratie leidt tot een te grote gelijkheid
(c)    democratie leidt tot een te grote braafheid
(d)    democratie leidt tot een te grote domheid

^ top ^

51. Bij de ondergang van de democratie wordt de roep om een sterke man groot. Deze persoon erkent geen wetten en zoekt alleen naar persoonlijke verrijking. Ver weg van de filosoof-koning staat deze persoon niet, want als hij zich de kennis van het idee van het goede eigen maakt, is hij in staat het juiste politieke inzicht te verwerven. Wie is deze persoon?
(a)    de filosoof-kroonprins
(b)    de tiran
(c)    de revolutionair
(d)    de anarchist

52. Jouw ziel heeft volgens Plato de ideeën volledig kunnen schouwen in de ideeënwereld voordat je op aarde in een lichaam moest gaan wonen. In feite wist je alles voordat je geboren bent. Helaas is al die kennis tijdens de geboorte verloren gegaan. Door de waarneming wordt beetje bij beetje deze kennis weer opgeroepen. Wat is kennis dan eigenlijk?
(a)    vage ideeën
(b)    herinneringen
(c)    gedachten
(d)    dromen

53. De echte kennis heeft ideeën tot object en komt tot stand in het verstandelijke deel van je ziel. Behalve echte kennis zit je ook vol met schijnkennis. De schijnkennis of mening krijg je binnen via je zintuigen en hebben geen ideeën tot object. Waarover gaat die schijnkennis dan wel?
(a)    de aardse (schijn)werkelijkheid
(b)    de dromenwereld
(c)    de wereld van de schijnideeën
(d)    de wereld van het denken

54. Volgens Plato zit er in jouw ziel een ingeboren verlangen naar het goede en het schone. Dat verlangen zet jou aan om je te vervolmaken en vult je met heimwee naar de wereld waarin jij je bevond, voordat je geboren bent. Hoe heet die band van de ziel met de ideeën of, anders gezegd, dat verlangen van het eindige naar het onsterfelijke?
(a)    de liefde
(b)    de passie
(c)    de wil
(d)    de herinnering

55. Volgens Plato ben je niet meer dan een gevangene in een grot die aan een paal zit vastgeketend. Je zit met je rug naar het licht van een vuur (en de zon) en je kan alleen maar voor je naar een muur kijken (zoiets als een bioscoop- of een televisie- of een computerscherm dus). Op die muur voor je zie je slechts schaduwen van de bewegende beelden achter je. Doordat er ook geluiden, geuren, smaken, enz. worden geproduceerd, denk je dat je in de echte werkelijkheid zit. Helaas. Schijn bedriegt immers. Als je de moeite zou nemen om je (als een Houdini) uit de ketenen te bevrijden en naar boven naar het vuur (en de zon) te klauteren, dan zal je pas begrijpen hoe je als gevangene bedrogen werd. Eenmaal boven en buiten in het land van de ideeën zal je pas echt vrij zijn. Je zal geen kopieën zien maar de dingen zoals ze zijn. Wat doe je op zo'n moment? Je bent zielsgelukkig en rent terug de grot in. Wat zullen je medegevangenen tegen je zeggen als je naar ze terugkeert?
(a)    ze zullen je geloven en vragen hun ketenen los te maken
(b)    ze zullen je vragen hun ketenen vaster te maken want ze willen je niet geloven
(c)    ze zullen je voor gek verklaren en vragen weg te gaan
(d)    ze zullen je niet kunnen horen of zien want je bent geen schaduw meer van jezelf

^ top ^

56. Welk vak dat op je school gegeven wordt benadert de wereld van de ideeën het meest?
(a)    gymnastiek
(b)    maatschappijleer
(c)    taal
(d)    wiskunde

57. Voor Plato worden de ideeën niet beperkt door ruimte en tijd. Ze bestaan in een slechts voor het denken toegankelijke wereld. Hoe noemt hij die wereld ook?
(a)    het zijn
(b)    de wereld
(c)    het worden
(d)    het bestaan

58. De ideeën van Plato zijn hiërarchisch geordend. Hoe omvattender en algemener het begrip, des te hoger is zijn status. Wat is de hoogste idee?
(a)    de idee van het Denkbare
(b)    de idee van het Hemelse
(c)    de idee van het Onvoorstelbare
(d)    de idee van het Goede

59. Plato zegt niet dat de idee 'paard' is gegeven omdat het paard bestaat maar omgekeerd dat het paard bestaat omdat de idee 'paard' is gegeven. Wat vormen de ideeën van Plato?
(a)    het doel van het bestaan van alle waarneembare dingen
(b)    de oorzaak van het bestaan van alle waarneembare dingen
(c)    het gevolg van het bestaan van alle waarneembare dingen
(d)    het begin van het bestaan van alle waarneembare dingen

60. Je kent de dingen die je ziet voorzover zij afschaduwingen zijn van de ideeën. Wat vormt de verbinding tussen ideeën en de waarneembare wereld?
(a)    de kennis
(b)    de gedachte
(c)    de wereld
(d)    het bestaan

^ top ^

61. Je platoonse ziel is niet alleen een soort buitenaards wezen dat in je lichaam huist als in een gevangenis, je ziel is ook het beginsel van beweging en leven in je lijf en het zedelijk besef. Dan is je ziel nog een ding. Wat?
(a)    het subject van het bewustzijn
(b)    het subject van de geest
(c)    het subject van het lichaam
(d)    het subject van het denken

62. Je moet er volgens Plato voor zorgen dat de verlangens van je ziel de overhand in je krijgen ten koste van de verlangens van je lichaam. Maar waarom mag je eigenlijk niet toegeven aan die lichamelijke verlangens?
(a)    anders word je nooit verlost uit de wereld van de ideeën
(b)    anders word je nooit verlost uit de aardse schijnwereld
(c)    anders word je nooit verlost uit je lichaam
(d)    anders word je nooit verlost uit je geest

Home    Inleiding     Socrates    Artikelen    Onderwijs    Vragen    Suggesties     Quizzen    Voorbeelden    Tekeningen    Verantwoording    Links  

^ top ^

laatste bijwerking 06/01/2006

stuur je antwoorden naar:

© Robert de Vos