Waarom
zou je filosoferen met kinderen (en jongeren)?
Kinderen hebben originele denkbeelden. De stimulans
om die te uiten ontbreekt vaak. Hoe ouder ze worden, hoe meer deze
originele beelden worden verdrongen door denkbeelden die een normaal
iemand behoort te hebben. Zelf denken is geen vanzelfsprekendheid; een
reproductieve denkgewoonte wel. Met een filosofische instelling consumeer
je de gangbare denkbeelden niet klakkeloos.
Door te filosoferen met kinderen krijg je als
volwassene de gelegenheid geboden een speelse vorming van ideeën aan te
horen. En kinderen krijgen de tijd en de ruimte om die primaire
denkbeelden uit te spreken, die ze anders nooit of te weinig krijgen. Jij
krijgt de kans om weer kind te worden door opnieuw te jongleren met
vanzelfsprekendheden.
Filosoferen met kinderen is een praktische en geen
theoretische bezigheid. En het is gewoon erg leuk!
^
top ^
Voor wie is het bestemd?
Voor kinderen vanaf ongeveer zeven jaar. Dat is min
of meer de leeftijd waarop ze zelfstandig en logisch kunnen denken en
duidelijke antwoorden kunnen formuleren.
De filosofische vragen die je hier verderop kunt
vinden, zijn voor alle leeftijden bedoeld. Alleen zullen oudere kinderen
verder geraken met de gestelde vragen. Oudere kinderen kunnen hun eigen
denkwegen nu eenmaal beter vormgeven dan jongere. In de Voorbeelden zijn
het vooral de jongere kinderen die meer weten te zeggen. Of "beter
vormgeven" gelijk is aan "meer weten te zeggen" lijkt me
overigens niet altijd opgaan...
Voor een kind van welke leeftijd dan ook kan je het
denkprobleem toegankelijk maken, mits je je vraag maar aanpast aan het
begripsniveau. Niet voor elke volwassene even gemakkelijk om te doen...
^
top ^
Wat heb je nodig?
Minstens twee personen. De een stelt vragen en de
ander geeft antwoorden. Je hoeft niet te beschikken over voorkennis. Het
is wel belangrijk dat je altijd probeert je in de denkwereld van het kind
in te leven. Verder een portie gezond verstand, een brok geduld en flink
wat tijd. Bij deze vorm van "filosoferen met kinderen" stelt de
volwassene de vragen en geeft het kind de antwoorden. Dit is althans het
uitgangspunt. Dat wil niet zeggen dat de volwassene alleen maar vragen
stelt, en dat het kind alleen maar antwoorden geeft. Er mag best
afgewisseld worden. Filosofisch jongleren moet speels blijven.
^
top ^
Hoe pak je het aan?
Stel de filosofische vraag en reageer met een
volgende vraag op het gegeven antwoord. Net zo lang tot je niet meer
verder kunt. Zorg ervoor dat je vragen het kind verder brengen, en dat er
geen herhalingen zijn.
Het goede antwoord op een filosofische vraag bestaat
niet. De filosofische problemen zijn nog steeds niet opgelost. Sterker
nog, er komen nieuwe bij en de oude worden vergeten!
Het gaat er om, dat het kind op zoek naar een
antwoord, zijn gedachten zo helder mogelijk leert formuleren. Daarvoor is
doorvragen nodig. Dat is voor de vragensteller waarschijnlijk moeilijker
dan voor het kind dat de antwoorden geeft. Degene die de vragen stelt,
moet op de onverwachte antwoorden voorbereid zijn. Daarvoor heb je
inlevingsvermogen nodig.
Al vragende moet je als een echte jongleur je
evenwicht proberen te bewaren en je ertoe zetten de beide kanten van het
gelijk te onderzoeken. Een dergelijke instelling zal het kind zeker
waarderen.
Het is wel de bedoeling dat je deze probeert te
tonen. Want over zo'n instelling beschik je niet zomaar. Laat je kinderen
merken hoe je jongleert met vragen. Ik ga ervan uit dat je, niet blokkend
boven filosofische teksten, maar al spelend je verstand ontwikkelt.
Filosoferen biedt je die mogelijkheid. Bij sommigen is de verleiding groot
pas verworven kennis (aangereikt door boeken) met veel bombarie aan
anderen bekend te maken. Pronkers met andermans kennis kunnen het
filosoferen het beste maar laten...
^
top ^
Wat is de filosofie achter filosoferen
met kinderen?
Deze filosofie is meer een pedagogisch standpunt dan
een filosofisch verantwoord systeem ter rechtvaardiging van enkele (min of
meer) vernieuwende uitspraken. In de workshops bijvoorbeeld probeer ik
kinderen niet alleen aan het praten te krijgen maar ook aan het luisteren
naar zichzelf. Als ze redelijk proberen te praten, willen ze weleens
struikelen. Dit overkomt volwassenen ook nogal eens, maar die willen niet
altijd naar zichzelf luisteren, of ze hebben al vaak genoeg naar zichzelf
geluisterd om te weten dat het goed is wat ze zeggen. De ernst heeft bij
hen zoveel terrein gewonnen dat er voor speelsheid weinig overblijft. Bij
het beantwoorden van een filosofische vraag hebben kinderen meestal nooit
van tevoren kunnen uitdokteren op welke manier ze al pratende het minst
struikelen om hun eigen ideeën de juiste (lees: redelijke) vorm te geven.
Filosoferen wordt dan meer het zoeken naar de
gemakkelijkste te bewandelen stukken van het grillige bergpad dat de
redelijkheid moet voorstellen. Volwassenen daarentegen houden niet meer
van die grilligheid; ze gaan liever op zoek naar herkenbare, uitgesleten
en vooral niet al te steile paden.
Vertel ik kinderen hoe ze moeten stappen dan zou er
nooit gesproken kunnen worden van filosofisch zelfonderzoek. Argumenten
moeten ongedwongen opgebouwd kunnen worden. Filosoferen immers is kunnen
verhelderen wat ze zelf denken. Het doel van filosoferen is kinderen hun
eigen denkvaardigheden laten ontwikkelen. Leren denken kan je kinderen
niet onderwijzen. Ze moeten het zelf ondervinden. Het is mijn taak
kinderen te stimuleren en niets op te leggen. Vandaar dat ik grote waarde
hecht aan het spelelement bij het filosoferen met kinderen.
Kinderen springen graag als ze spelen. Bij het
filosoferen is dat niet veel anders. Die natuurlijke behoefte om te
springen - die oprechte speelsheid - is van levensbelang. In het spel
staat het springen symbool voor het uitproberen van bewegingsvrijheid en
het tarten van de grenzen van het lichamelijk kunnen. Wie heeft er niet
van een muur gesprongen die iets hoger was dan waar hij tot dan toe van
had durven te springen? Grenzen zijn er om af te tasten. Bij het
filosoferen springen kinderen uit denkvrijheid: de grenzen die het
redelijke ieder weldenkend wezen oplegt worden afgetast. De oprechte
speelsheid en het filosoferen horen mijns inziens bij elkaar. Het een kan
niet zonder het ander. De speelsheid biedt het filosoferen dat
verrassingselement dat uitstijgt boven herhaling en gewoontevorming.
Kan het filosoferen dan als spel opgevat worden?
Kinderen kunnen zich met gemak in het spel met meningen werpen. Het spelen
gaat ze veel gemakkelijker af dan volwassenen. Niet verwonderlijk
overigens, want in de wereld van de volwassenen (soms ook de 'echte'
wereld genoemd) krijgen de groten een rol toebedeeld - in minder gunstige
gevallen: opgedrongen - die met grimmige vastberadenheid wordt gespeeld.
Kinderen vinden het jammer te moeten horen dat volwassenen niet meer
willen spelen omdat het eigenlijk kinderachtig is. Dergelijk verlies van
speelruimte maakt ze droevig. Hoe groot is het verschil tussen het
spelende kind en de volwassene die niet meer kan spelen! En wat als er
niet meer gespeeld mag worden en alleen maar opgelegd...
Onzekerheden en onduidelijkheden vinden uiting in
dit spel van vraag en antwoord. De vraag wordt gesteld in de hoop dat zij
juist is. De behoefte om te communiceren - soms zelfs om iets te bekennen
- is altijd aanwezig. De oprechte speelsheid vergroot het plezier van
zelfexpressie.
Het is vaak genoeg gezegd: een vooruitstrevende
samenleving heeft mensen met visie nodig. Aan makke en volgzame
volwassenen heeft zo'n samenleving niet veel als het erop aankomt nieuwe
ideeën te vinden. Maar wat als de wil om vooruit te denken reeds in de
kindertijd wordt tegengehouden? In de ontwikkeling van individuen lijkt
generativiteit om nieuwe gedachten te vormen tegenover stagnatie te staan.
Helaas vermorzelt stagnatie de oprechte speelsheid. De weg naar
volwassenheid is niet altijd het zelf gekozen pad in onze samenleving die
excelleert in het stroomlijnen van rollen, het uitdelen van harnassen.
^
top ^
Wat is de vroedvrouwmethode eigenlijk?
Hoe moeilijk is het om je beslissing niet door
emoties te laten bepalen. Toch is het belangrijk de filosofische vraag
nuchter en redelijk te onderzoeken en helder te redeneren. Emoties willen
de gedachten weleens vertroebelen. Als je dat bij jezelf toelaat dan ben
je al lang niet meer bezig om voor jezelf te denken. Het grillige gemoed
heeft het stuur overgenomen. Kan jij dan nog een kapitein van je eigen
gedachtekettingen zijn?
Het doel van filosoferen met kinderen is bij
kinderen een beredeneerd en zelfstandig inzicht te wekken. De vragen
stellen ze voor een probleem. Soms zelfs een dilemma. Ze kiezen een van de
twee. Waarom kiezen ze juist de ene en niet de andere? En dan gaat het
erom dat ze geholpen worden met nog meer gerichte vragen. De keuze moet
beredeneerd worden: het ene principe kan belangrijker zijn dan het andere.
De vragen die dan gesteld worden, willen weleens ergernis oproepen. Het
zal je overkomen, zeg! De gespreksleider laat je zo lang praten tot je
jezelf vastgepraat hebt of tot je jezelf aan het herhalen bent.
De methode achter al die gerichte vragen is de
vroedvrouwmethode. De moeder van Socrates was vroedvrouw. Hij moet gezien
hebben hoe ze kinderen ter wereld hielp brengen. Dat wilde hij ook met
kennis doen. Vragen stellen aan iedereen die hij op straat tegenkwam. Hij
deed dat niet om ze kennis te laten spuien. Nee, het kwam niet aan op
alwetendheid of welsprekendheid. De persoon moest inzicht tonen. Het was
aan Socrates dat inzicht geboren te laten worden. Velen bezitten immers
weinig tot geen inzicht. Sommigen juist verbluffend veel. Zonder het zelf
te weten. Zoals kinderen.
Kinderen die nog in de buik van moeder zitten, nemen
een voorname plaats in. Niet alleen in de buik van moeder maar ook in
Plato's ideeënleer. Ongeboren kinderen immers hebben de ideeën volledig
kunnen schouwen. Bij de bevalling echter gaat al die kennis verloren. We
moeten alles van het begin af aan leren. Onze zintuigen helpen daarbij.
Als alles goed gaat met dat leren zorgt onze waarneming ervoor dat we ons
herinneren wat we bij de geboorte verloren hebben. Maar bij al die
kennisverwerving gaat het nogal eens mis. Er waart immers meer
schijnkennis op onze aardbol rond dan echte kennis. De aardse
schijnwerkelijkheid overschaduwt het vuur - dat ergens diep in ons nog
brandt - van de echte kennis. Het zal niemand meer verbazen dat de
vroedvrouwmethode zich richt op het inzicht dat door alle dagelijkse
beslommeringen (we houden ons aan de metaforen...) verstopt wordt zoals,
naar Plato, de ziel in het lichaam als in een kerker is opgesloten.
Stel dat de ziel inderdaad in een gevangenis zit.
Dan zullen er ook wel bezoekuren zijn, nietwaar? Welnu, de
vroedvrouwmethode zorgt ervoor dat er tijdens die bezoekuren ook
daadwerkelijk iemand op bezoek komt! En als het lukt dan smokkelt de
bezoeker een brood met daarin een vijl mee de gevangenis in!