home     filosoferen met kinderen - robert de vos

Lesmateriaal

 

 

*nieuw* Opdrachten voor in de klas

Filosoferen in de klas

Filosofische enquetes

Deze bladzijde bevat een artikeltje over filosoferen in de klas (speciaal voor gespreksleiders) en een aantal filosofische enquetes (speciaal om in de klas te gebruiken).
Nieuw toegevoegd zijn een aantal toepassingen en richtlijnen hoe een leerkracht met leerlingen gedurende een lesuur kan filosoferen.
Ik stel het op prijs als degene die deze informatie gebruikt, mij hierover een e-mail stuurt. 


    Opdrachten voor in de klas

1. Vorm groepjes van vier à vijf studenten in de klas, bepaal wie de woordvoerder van de groep is en zoek gezamenlijk naar een antwoord. De docent bepaalt welke vraag door de klas besproken wordt. Zorg ervoor dat de stoelen (per groep) in een cirkel staan. Een tafel in het midden kan ook. De woordvoerder mag aantekeningen maken en deze gebruiken voor de presentatie van het gezamenlijk antwoord. De docent legt de diverse groepjes een tijdslimiet op. Na de aangegeven tijd geven de woordvoerders hun groepsstandpunten weer. De docent zoekt naar overeenkomsten tussen de diverse standpunten, maar vooral stipt hij of zij de verschillen aan. Voer op basis van die verschillen een klassendiscussie. Laat de studenten aan het woord en zoek vooral niet met ijzeren discipline naar een heldere rode draad.

2. Elke leerling kiest uit de geschiedenis van de filosofie een kort authentiek stukje van een filosoof, dat bijvoorbeeld door de docent is verdeeld.(Het mag natuurlijk ook een stukje uit de bovenstaande tekst zijn.) De volgende dag komt de leerling met een korte mondelinge samenvatting ervan en stelt hij of zij een open filosofische vraag  Deze vraag moet dan worden beantwoord door een andere leerling. De docent kan die leerling aanwijzen, maar de bedenker van de vraag mag dat ook doen. Het is wel de bedoeling dat alle leerlingen een vraag stellen en iedereen een antwoord kan geven. Dus, twee antwoorden voor één leerling kan niet.

3. De tekeningen die gemaakt zijn, geven vooral de persoonlijke indruk van de tekenaar weer. Misschien heb jij bij het lezen van de tekst heel andere beelden. Maak aan de hand van een stukje tekst of met behulp van een vraag een filosofische tekening. De docent kan elke leerling een ander stukje tekst geven. De leerling maakt liefst een tekening zonder woorden en houdt het stukje tekst voor zich zodat de anderen zelfstandig kunen raden wat hij of zij met de tekening heeft willen zeggen. De maker komt voor de klas te staan en toont de tekening. (Het is daarom aangewezen een grotere tekening te maken en geen gepriegel op een vierkante centimeter.) Pas aan het eind van de klassikale gissingen geeft de maker de bedoeling van het kunstwerk prijs. (Voor deze opdracht kan er natuurlijk ook geverfd worden.)

4. In de boeken van bijvoorbeeld Peter Sloterdijk vind je een enorme hoeveelheid foto's die stuk voor stuk een filosofische boodschap uitdragen. Maar ook in boeken die over de geschiedenis van de filosofie gaan of speciaal voor het onderwijs zijn geschreven vind je illustratieve foto's.
De docent geeft de leerlingen de opdracht om uit een krant of een tijdschrift een foto te knippen en die op een wit vel te plakken. (Geef die opdracht niet voor de volgende dag, want de kans is redelijk groot dat de ouders van een leerling zich bekeken voelen omdat ze helemaal geen kranten of tijdschriften meer lezen, of dat - in een milieuvriendelijke gemeente - alle kranten en tijdschriften die avond juist zijn opgehaald door de ophaaldienst.) De leerling komt ook hier voor de klas te staan en laat eerst de anderen zijn of haar foto van commentaar voorzien. (Het spreekt voor zich dat al te persoonlijke, hekelende dan wel beledigende opmerkingen binnen de perken van het redelijke worden gehouden; ik ga er echter voor het gemak vanuit dat de docent niet te permissief noch te autoritair is.) Pas aan het eind van de klassikale gissingen maakt degene die het knip- en plakwerk heeft uitgevoerd zijn of haar idee achter de foto bekend.

5. Verdeel de klas in groepjes van twee. (bij oneven aantallen is de docent verplicht deel te nemen) Laat het groepje uit de tekst een vraag kiezen en creëer hiermee een filosofische dialoog die moet opgeschreven worden om daarna voor de klas te worden voorgedragen. De filosofische dialoog bestaat uit minstens twintig regels. Het groepje van twee kan ook zelf een filosofische vraag bedenken. Het is wel de bedoeling dat er geen conclusie aan het eind van de dialoog moet worden gegeven maar dat er juist een rode draad wordt geweven. De dialoog heeft vooral de vorm van een vraag en een antwoord. De vraag reageert op het antwoord en omgekeerd. De vragensteller moet wel serieus en logisch blijven. Degene die antwoord geeft mag sceptisch en ironisch zijn, maar niet zo erg dat de dialoog direct verzandt. (Met onverbeterlijke sceptici kan je immers geen filosofisch gesprek voeren.)
Een voorbeeld van zo'n dialoog is:

V.: waarom leef je eigenlijk?
A.: weet ik veel.
V.: waarom weet je dat niet?
A.: dat is me nooit verteld.
V.: wie zou je kunnen vertellen waarom je leeft?
A.: mijn ouders, want die hebben me gemaakt.
V.: als je ze het zouden vragen, wat zouden ze dan kunnen antwoorden?
A.: ze zouden zeggen:"'weet ik veel".
V.: zou iemand anders een antwoord kunnen hebben voor je?
A.: de leraar misschien?
V.: wat zou die kunnen zeggen?
A.: uh... "om mij te vervelen".
V.: dus jij leeft om de leraar in de klas te kunnen vervelen?
A.: uh... en thuis om mijn ouders te vervelen.
V.: dus je leeft om iedereen te kunnen vervelen?
A.: (brede grijns)... alleen als ik er plezier aan beleef.
V.: dus je leeft voor het plezier?
A.: ja, als ik kan lachen, leef ik.
V.: kan je jezelf vervelen?
A.: ja, maar het is de bedoeling niet.
enz.

6. Filosoferen staat niet alleen voor het verhelderen van je eigen gedachten door ze goed onder woorden te brengen, het staat ook voor het verkrijgen van praktische wijsheid zodat je van je eigen leven iets moois kan maken. Daar begin je volgens mij beter mee als je jong bent.
Daarom beschouw ik wijsneuzigheid niet als een negatieve eigenschap van jongeren. Wijsneuzen oefenen zich in wijsheid en ergeren klaarblijkelijk met hun manier van spreken de volwassenen. Wijsneuzen bouwen aan hun eigen wijze van leven en het zijn de volwassenen die hun neus ervoor ophalen.
Juist de opvoeding thuis en het onderwijs daarbuiten zou de jeugd de vrijheid moeten geven om op zoek te gaan naar die praktische wijsheid. Hun leven moet niet van tevoren bepaald zijn. Het leven moet een kunstwerk zijn dat nimmer af is. Laat de wijsheid niet het alleenrecht voor de ouderen zijn. Het zijn de jongeren die haar het hardst nodig hebben.
Bespreek het bovenstaande klassikaal.

^ top ^


Filosoferen in de klas

Waarop moet je letten als ....

.... je een filosofeergesprek opbouwt?

Je moet een soort voetbaltrainer zijn die langs de lijn staat. Je moet ervoor zorgen dat de bal waartegen geschopt en gekopt wordt zichtbaar blijft. Het voetbalspel is een spel zonder doelen, maar er zijn wel lijnen. De spelregels zijn dat elke speler zich autonoom, kritisch en redelijk opstelt. De trainer let op de vorm van het spel en bemoeit zich zo weinig mogelijk met de inhoud. Dat laatste is moeilijk voor beginners, vandaar dat er getraind moet worden om goed te kunnen spelen. De trainer is overigens zelf geen speler en stelt zichzelf niet op. Hij of zij kan goed luisteren, vertrouwt de spelers, respecteert hun individuele spelvaardigheid (de een is nou eenmaal handiger met de bal dan de ander), durft zijn of haar fouten toe te geven én kan lachen en laten lachen.

Je vertrekt met een vraag en je werkt voornamelijk auditief. Je maakt aantekeningen als je met beginners werkt. Je vermijdt slordig denken en je stimuleert redelijk denken en het geven van concrete voorbeelden. De structuur van het gesprek toont zichzelf en wordt niet opgelegd. Sturing wordt alleen gedaan als het een zooitje dreigt te worden. Op zo'n moment is de inbreng van de begeleider allesbepalend. Hoe ver durft de begeleider de teugels te laten vieren. Als hij of zij te strak aantrekt, is het gesprek vermoord; als hij of zij de teugels te vaak of te lang loslaat, vermoordt het gesprek zichzelf. Er is dialoog en discussie, er zijn vragen en beweringen. Aan het eind is er een mondelinge beschouwing van begeleider en enkele deelnemers. Ik identificeer mij eerder met Matthews dan met Lipman en Nelson. Het is belangrijker de kinderen te motiveren dan te vormen. Het is mijn persoonlijke overtuiging dat je een goed leven voor jezelf en anderen wil als je betrokken bent.

Een filosofeergesprek is geen socratisch gesprek. Het eerste mag niet te vrijblijvend gevoerd worden, het tweede ontneemt het spontane van kinderen door veel te gestructureerd te willen zijn.

De begeleider moet voorzichtig sturen. Maar hoe doe je dat als je geen invloed mag uitoefenen op het gesprek ? Ik vraag het mijzelf telkens af als ik een gesprek begeleid. De lijn tussen kinderen iets (onbewust) opleggen en ze iets (zelfstandig) laten verwerven is zo flinterdun. Met het strakke onderscheid tussen episteme en phronesis kom je ook niet ver, want in het vuur van het filosofeergespreek lopen theoretische en praktische kennis door elkaar heen. Wie weet zeker dat de kennis die hij of zij meent bezitten oorspronkelijk of geleend is ?

Waarop moet je letten als ....

.... je begeleider van een filosofeergesprek bent?

Je moet altijd in het achterhoofd hebben dat je niet bezig bent met het scheppen van bergen gegevens in het zogenaamde leeghoofdige kinderhoofd maar dat er kennis schuilt in het kind die - door de juiste vragen te stellen - naar buiten kruipen wil en op het puntje van de tong ligt. Besef kan je niet opleggen van buitenaf, het moet van binnenuit komen. Kennis kan zonder problemen naar binnen gepropt worden; maar wat heb je eraan als de zin van al die gegevens niet beseft wordt ? Het kind moet geen overgedragen kennis uiten bij een filosofeergesprek maar blijk kunnen geven van eigen inzicht. Een kind is toch geen geavanceerde computer ? Schaakgrootmeesters zullen verliezen van computers omdat er nu eenmaal meer in een machinaal geheugen dan in een menselijk geheugen kan worden gestopt. En - geluk bij een ongeluk - wij kunnen verdringen en computers moeten zich alles op commando herinneren ! Maar met een computer zal nooit gefilosofeerd kunnen worden. Computers produceren geen capta, maar data ! Het gaat erom dat kinderen aan hun denkvaardigheden kunnen sleutelen door ze zelfstandig en kritisch na te laten denken.

Als je bijvoorbeeld vraagt wat ervoor zorgt dat iemand denkt, en het kind zegt:"je geest." en jij vindt dat het antwoord niet juist is en je zegt:" fout. je verstand." dan ben je bezig met filosofische kennisoverdracht. Het gesprek mag je wel sturen in de richting van je antwoord, maar je moet ingaan op het antwoord van het kind. Maar hoe krijg je "je geest" en "je verstand" dicht bij elkaar ? Daartussen kan een lang gesprek zitten, en misschien kom je helemaal niet tot "je verstand". Is het filosofeergesprek daardoor zinloos geworden ? Een begeleider moet het midden houden tussen een gestructureerd en een vrijblijvend gesprek. Hij of zij moet sturen naar "je verstand" maar er niet per se willen en moeten uitmonden ! Het gaat niet om het vinden van eindpunten, maar om het betreden van denkwegen op weg naar die eindpunten. Maar hoe flexibel kan een gespreksbegeleider zijn en zijn of haar eindpunten te vergeten. En wat zullen de buitenstaanders zeggen ? Die vinden zo'n gesprek immers nergens toe leiden; en aan het eind van de sessie moet er toch een tastbaar resultaat zijn ?

Je hoeft geen afgestudeerd filosoof te zijn om een filosofeergesprek te kunnen begeleiden, maar je moet wel iets van de geschiedenis van de filosofie afweten en ook iets van haar deelgebieden en haar methoden. Kun je een filosofische houding hebben als je nooit bezig bent geweest met filosofie en filosoferen ? Ik ben bang van niet. Zo'n filosofeergesprek staat of valt overigens met de inzet en de houding van de begeleider.

Het schijnt zo te zijn dat alle filosofie begint met het gevoel van verwondering. Welk boek ik ook opensla, de verwondering is het filosofisch begin. In de meest poëtische bewoordingen staat beschreven hoe geweldig het is om je te verwonderen en van daaruit allerhande levensvragen te stellen. Vervolgens wordt er beweerd dat niets vanzelfsprekend is. Vreemd eigenlijk, want je verwonderen schijnt het vanzelfsprekende begin van het filosoferen te zijn. Vervolgens wordt dat gevoel gezien als essentieel voor een filosofische houding. Ik wil hier niet negatief en destructief klinken, maar vooral kritisch. Want ook hier wordt een stelling aangenomen, die waar schijnt te zijn, maar door al diegenen die beginnen met filosoferen niet als dusdanig kan worden ervaren. Wie durft nog te zeggen: "ik weet het niet meer", wanneer iemand beweert dat filosoferen begint met verwondering. Voor mij begint filosoferen met een aporie. Het filosofisch gesprek vangt aan met een gevoel van onzekerheid. En dat niet alleen voor de deelnemers, maar ook voor de begeleider zelf.

^ top ^


Filosofische enquetes

De filosofische enquetes zijn als lesmateriaal bedoeld. Ik heb ze vaak gebruikt in mijn workshops "filosoferen met jongeren". Ik deel een klas in vier tot vijf groepjes in en geef aan alle leerlingen een blad met een filosofisch onderwerp waaronder een groot aantal mogelijke antwoorden staan. Eerst maken de leerlingen een individuele keuze en kiezen ze een woordvoerder. Dan wordt er op basis van consensus een antwoord per groep gekozen.Er kunnen ook meerdere antwoorden gekozen worden, eventueel op volgorde van belangrijkheid. Maar laat ze nooit meer dan drie antwoorden kiezen, anders wordt het vergelijken van de diverse groepsvoorkeuren nogal moeilijk (tenzij je beschikt over een optimaal geheugen-op-korte-termijn). De woordvoerder verdedigt het antwoord. Meestal ontstaat er een discussie tussen de diverse woordvoerders of deelnemers van een bepaalde groep.

Er zijn 7 enquetes:

1. Geluk is ...
2. God is ...
3. De zin van het leven is ...
4. Ik ben op school om ...
5. De belangrijkste waarde is ...
6. De mens is ...
7. Filosofie is ...

 

 

 

 

1. Geluk is ...

1. vrienden om mij heen hebben
2. een warm gezin
3. de vervulling van al mijn levenswensen
4. geld
5. eeuwig durende verliefdheid
6. je plicht doen
7. een geweldige job
8. bekend en populair zijn
9. de zekerheid dat in de toekomst niets verandert
10. een natuurwandeling
11. een wereldreis
12. van korte duur
13. iets gevaarlijks doen
14. huisje, boompje, beestje (metro, dodo, boulot)
15. een nieuwe en betere samenleving
16. mezelf zijn
17. het ongeluk van de anderen
18. iets waarnaar iedereen op zoek moet gaan
19. totale bevrediging van al mijn lusten en behoeften
20. een illusie
21. goede daden verrichten
22. geen angsten meer kennen
23. geen schuldgevoelens meer hebben
24. het geluk dat anderen om mij heen ten deel valt
25. doen waar ik zelf zin in heb
26. de perfecte partner
27. gehoord en gewaardeerd worden
28. .................................................................................

^enquetes^    ^ top ^

 

 

 

2. God is ...

1. overal onzichtbaar aanwezig
2. overal zichtbaar afwezig
3. diep en ver weg in mij
4. dood
5. een verzinsel
6. groter dan de grootste gedachte
7. groter dan de grootst denkbare werkelijkheid
8. een mysterie
9. een exportproduct
10. een reden om ten strijde te trekken
11. bij mij, omdat ik geloof
12. er om het volk onder de duim te houden
13. de herder die zijn schaapjes op het droge helpt zetten
14. fout
15. alomtegenwoordig
16. een astronaut uit een ver verleden
17. onbegrijpelijk en ongrijpbaar
18. er nooit als je hem juist nodig hebt
19. een vrouw
20. ...................................................

^enquetes^    ^ top ^

 

 

 

3. De zin van het leven is ...

1. telkens weer de vraag naar de zin van het leven stellen
2. niet te begrijpen
3. wachten op de dood
4. genieten van elk moment
5. een eigen huis
6. je talenten ontplooien
7. je plaats in de samenleving vinden
8. doen wat er van je verlangd wordt
9. onzin
10. een gelukkig gezin
11. zo veel mogelijk succes hebben
12. leven volgens de regels
13. niets doen
14. God
15. een aantrekkelijk lijf hebben
16. goede daden verrichten
17. proberen te doorgronden wat de zin van het leven is
18. je lot kennen
19. niet meer afhankelijk van anderen zijn
20. het ultieme genot nastreven
21. .......................................................

^enquetes^    ^ top ^

 

 

 

4. Ik ben op school om ...

1. algemene kennis op te doen
2. een vak te leren
3. vrienden te ontmoeten
4. het recht van de sterkste te laten gelden
5. mijzelf te leren kennen
6. mijn geheugen te trainen
7. kennis op te doen die weinig nut heeft
8. mijn bestemming te vinden
9. niets uit te voeren
10. mijn plaats in de samenleving te vinden
11. mijn ouders wat rust te gunnen
12. plezier te maken
13. mezelf discipline aan te leren
14. beziggehouden te worden
15. normen en waarden te leren
16. aan de wet op de leerplicht te voldoen
17. de samenleving te helpen opbouwen
18. later een goed leven te hebben
19. ...........................................................

^enquetes^    ^ top ^

 

 

 

5. De belangrijkste waarde is ...

1. rijkdom
2. gezondheid
3. eerlijkheid
4. geluk
5. ambitie
6. nieuwsgierigheid
7. wijsheid
8. rechtvaardigheid
9. losbandigheid
10. vriendelijkheid
11. gelijkwaardigheid
12. spierkracht
13. vrijheid
14. geweldloosheid
15. respect
16. tolerantie
17. slankheid
18. menselijkheid
19. geleerdheid
20. gevoel voor humor
21. onverschilligheid
22. gehoorzaamheid
23. macht
24. schoonheid
25. gastvrijheid
26. vrijgevigheid
27. ..............................

^enquetes^    ^ top ^

 

 

 

6. De mens is ...

1. een ambigu wezen
2. gedoemd zichzelf altijd te ontwerpen
3. dichter bij God dan een dier
4. het enige dier dat beloven kan
5. het enige dier dat bewust is van zichzelf
6. een talig wezen
7. evolutionair gezien het best ontwikkelde dier
8. alleen via het lichaam gebonden aan de wereld
9. het enige wezen dat zichzelf kan vernietigen
10. een zieke patiënt op zoek naar genezing
11. ondergeschikt aan zijn wil
12. het besef van zijn vrijheid beu
13. meer verstandelijk dan gevoelsmatig
14. van nature goed
15. het enige wezen dat het Zijn kan verstaan
16. zijn houding naar buiten en niet zijn innerlijk
17. een wolf in schaapskleren
18. een kuddedier
19. of meester of slaaf
20. perfect
21. ......................................................

^enquetes^    ^ top ^

 

 

 

7. Filosofie is ...

1. nadenken over de wereld
2. eigenlijk alleen maar fantaseren
3. je verwonderen over het zijn van de dingen
4. proberen de juiste kennis te vinden
5. je eigen gedachten leren verhelderen
6. argumenteren
7. problemen verkennen en niet oplossen
8. een nutteloze bezigheid
9. jezelf bevrijden
10. slechts voorbestemd aan slimmeriken
11. alles willen verklaren
12. nadenken over het nadenken zelf
13. niet meer dan een taalspel
14. wat volwassenen niet meer kunnen
15. peinzen
16. piekeren
17. zo saai
18. steeds betere vragen leren stellen
19. wetenschappelijk
20. artistiek
21. .....................................................

^enquetes^    ^ top ^

 

 Home    Inleiding     Socrates    Artikelen    Onderwijs    Vragen    Suggesties    Quizzen    Voorbeelden    Tekeningen    Verantwoording    Links

^ top ^

laatste bijwerking 14/02/2008

© Robert de Vos