Filosoferen met kinderen - Robert de Vos
12 mei 2003

De Spelenderwijsgerigquiz

1. Als je filosofeert, zoek je naar
(a) helderheid
(b) gedachten
(c) waarheid
(d) woorden

2. Als je iets zeker weet, dan
(a) geloof je het
(b) ben je ervan overtuigd
(c) verander je nooit van mening
(d) twijfel je nog een klein beetje

3. Jouw kennis
(a) verandert nooit
(b) verander snel
(c) breidt zich langzaam uit
(d) vergeet je snel

4. Kennis krijg je door
(a) naar anderen te luisteren
(b) naar jezelf te luisteren
(c) naar niemand te luisteren
(d) naar dieren en bomen te luisteren

5. Inzicht krijg je door
(a) naar anderen te luisteren
(b) naar jezelf te luisteren
(c) naar niemand te luisteren
(d) naar dieren en bomen te luisteren

6. Als je veel weet, dan heb je veel
(a) kennis
(b) ervaring
(c) inzicht
(d) geduld

7. Als je wijs bent, dan heb je veel
(a) kennis
(b) ervaring
(c) inzicht
(d) geduld

8. Iets inzien is iets
(a) langzaam begrijpen
(b) langzaam bedenken
(c) snel begrijpen
(d) snel bedenken

9. Inzicht
(a) kan je snel leren
(b) moet je zelf vinden
(c) krijg je met de paplepel ingegoten
(d) is slechts enkelen gegund

10. Als je filosofeert, verhelder je
(a) jezelf
(b) je gedachten
(c) je woorden
(d) je beelden

11. Wat gaat aan filosoferen vooraf?
(a) bewondering
(b) verbijstering
(c) verbazing
(d) verwondering

12. Filosoferen heeft het meest te maken met
(a) nadenken
(b) dagdromen
(c) fantaseren
(d) discussiėren

13. Delen van de werkelijkheid komen in je hoofd via
(a) beredenering
(b) herinnering
(c) bewustwording
(d) waarneming

14. Om te kunnen filosoferen moet je
(a) redelijk zijn
(b) zedelijk zijn
(c) degelijk zijn
(d) bedenkelijk zijn

15. Iets begrijpen doe je met je
(a) hoofd
(b) hart
(c) gevoel
(d) verstand

16. Filosofen houden van
(a) wijsheid
(b) slimheid
(c) diepzinnigheid
(d) goedheid

17. Als je argumenteert, zoek je naar
(a) goede zinnen
(b) goede verzinsels
(c) goede redenen
(d) goede redeneringen

18. Als je iets begrijpt, heb je
(a) overzicht
(b) doorzicht
(c) inzicht
(d) nazicht

19. Filosofen zijn
(a) onwijs gierig
(b) wijsgerig
(c) eigenwijs
(d) wijs

20. De kennis die het meest op inzicht en levenservaring berust, heet
(a) filosofie
(b) wetenschap
(c) geleerdheid
(d) wijsheid

21. Iemand die zich inbeeldt alles te weten, is een
(a) wijsgeer
(b) wijsneus
(c) denkhoofd
(d) studiehoofd

terug naar De Spelenderwijsgerigquiz

© Robert de Vos