Mijn ambities om in Nederland te
werken, strookten niet bepaald met mijn verlangen om bij vrouw en
kinderen in België te zijn. We moesten een keuze maken: of we
verhuisden naar Nederland of ik gaf Nederland op. Ik besloot het
laatste en zocht een job in het bedrijfsleven in België. Het was
maar voor kort want ik kon me niet voor de volle honderd procent
geven. In de eerste plaats was er die cultuurkloof tussen Vlamingen
en Hollanders waarmee ik geconfronteerd werd en uiteindelijk was het
de filosofie die weer begon te wringen. Ik bereidde een proefschrift
over Schlick voor en begon met het vertalen van de KrV van Kant.
Beide projecten liggen nog altijd in de derde la onder en ik ben
blij dat ik niet heb doorgezet met het theoretische te verzorgen en
het praktische te verwaarlozen.
Ik werkte in Brussel en werd een
trouw bezoeker van enkele bibliotheken. Hoewel ik me tijdens mijn
studie vooral had ingegraven in hoekige kentheorieën, dook ik op
het ronde en vage dat ik als student verfoeide. Ik las Foucault,
Lacan, Derrida, Baudrillard, Sloterdijk, Nussbaum ! De energie die
zich even mocht ontladen toen ik die cursus 'Socratische gesprekken'
aan het voorbereiden was, kwam weer terug en toen ik een paar boeken
van Matthew Lipman en Leonard Nelson had gelezen en bij toeval over
de eerste conferentie 'filosoferen met kinderen' in Gent had
gehoord, wist ik waarvoor ik moest gaan. Ik had van Berrie Heesen op
die conferentie nog een pak kaarten vol filosofische vragen gekocht
dat het Billetjesblootspel heette. Ik probeerde het spel te spelen
met mijn oudste zoon die toen zeven was en hij had toen zo hard
gelachen om zijn eigen antwoorden. Kon filosoferen werkelijk zo leuk
zijn voor kinderen?
In 1996 is mijn project
'filosoferen met kinderen' van start gegaan. Het vuur dat zich na
die openbarende lach ontstak, is sindsdien eigenlijk nooit
uitgedoofd. Ik zette samen met mijn echtgenote een website op en ik
kreeg ruimte aangeboden op de TTE-site van een vriend die
toentertijd ook filosofie studeerde.
Ik las en probeerde uit en op het
laatst had ik geen zin meer om te lezen en probeerde ik het alleen
maar uit bij zowat alle kinderen in mijn omgeving. Ik stelde aan
ARTFORUM in Leuven een workshop voor en zij boden mij de kans om
praktijkervaring op te doen. Mijn kinderfilosofieprogramma had ik
via de DYNAMO2-catalogus aan de Vlaamse scholen voor het eerst
voorgesteld in 1997. Druppelgewijs kwamen de aanvragen binnen, maar
ik bleef volhouden en schaafde de workshops bij die ik gaf op
scholen en in culturele centra. Vanaf 1999 begon het pas lekker te
lopen en kreeg ik het gevoel dat ik ervaring had in het filosoferen
met kinderen.
Nu - in 2005 - vind ik het nog
steeds geweldig om te doen. Het liefst werk ik met kinderen en
jongeren zelf. Ik doe liever dan dat ik bespreek wat ik doe. Ik word
weleens gevraagd om een lezing over het project te geven, maar ik
wil niet vervallen in het hoekige en ik streef ernaar het vage en
het ronde te vatten (hoewel zoiets onmogelijk is). Had ik niet
gedroomd dat ik een nestvlieder was? Vandaar dat ik tijdens de
lezing de volwassenen behandel als kinderen en ze laat werken zoals
kinderen werken. Het wordt niet altijd gewaardeerd. Maar de behoefte
om te voldoen aan de verwachtingen van de toehoorders is kleiner dan
het verlangen om te spelen. Ik zal mij altijd blijven inzetten voor
de schepping van de homo sapiens ludens en dat vooral in deze tijden
waarin menselijkheid op het spel wordt gezet ten koste van een
controleerbare orde waarin het buitenaf opgelegde het spontane en
oprechte (dat binnen zit), tracht te vermorzelen. Of, anders gezegd:
ik hoop dat het hoekige het ronde niet zal kapotmaken en dat ik niet
gedwongen word om na een lange vlucht (als gevleugeld wezen) terug
te keren naar dat gigantische nest van hoekig beton. Filosoferen is
uiteindelijk waardig sterven.