Filosoferen met kinderen - Robert de Vos
09 okt 2005

De Wijsjesquiz

1. Denken doe je met je
a) hart
b) hoofd
c) neus
d) tenen
2. Je denkt niet als je
a) oplet
b) eet
c) niet bestaat
d) niet wil
3. Je denkt beter na als je
a) diep slaapt
b) veel zapt
c) snel beweegt
d) rustig zit
4. Denken doe je
a) met moeite
b) alleen na een snoepje
c) vanzelf
d) op bevel
5. Als je kan zeggen wat je denkt
a) filosofeer je
b) fantaseer je
c) droom je
d) lieg je
6. Wat je weet
a) ben je vergeten
b)kan je zeggen
c) heb je op school geleerd
d) heb je van thuis
7. Je weet meer als je veel
a) zapt
b) leert
c) vergeet
d) slaapt
8. Je weet minder als je veel
a) praat
b) leest
c) schrijft
d) vergeet
9. Je weet veel met een
a) zwaar hoofd
b) licht hoofd
c) goed hoofd
d) raar hoofd
10. Een droom is als een
a) beeld
b) gedachte
c) gevoel
d) lange pauze
11. Een gedachte
a) voel je
b) ben je
c) denk je
d) zie je
12. Je denkt
a) terwijl je denkt
b) zodat je denkt
c) als je denkt
d) of je denkt
13. Een rekenfout is als een
a) tekenfout
b) taalfout
c) schrijffout
d) denkfout
14. Wat je gelooft, is
a) echt niet waar
b) misschien waar
c) zeker onwaar
d) jammer genoeg wel waar
15. Wat je ziet is wat je
a) gelooft
b) zeker weet
c) waarneemt
d) denkt
16. Je bent wie je
a) bent
b) wil zijn
c) moet zijn
d) niet bent
17. Op school leer je
a) denken
b) vergeten
c) spelen
d) schrijven
18. Thuis leer je
a) niets
b) ook
c) denken
d) braaf zijn
19. Filosoferen is eerst
a) denken dan spreken
b) spreken dan denken
c) zwijgen dan denken
d) zwijgen dan spreken

terug naar De Wijsjesquiz

© Robert de Vos