home     filosoferen met kinderen - robert de vos

De Spelenderwijsgerigquiz


De SPELENDERWIJSGERIGQUIZ is een quiz voor filosoferende kinderen vanaf ongeveer 11 jaar.
Er zijn 21 meerkeuzevragen, waarbij telkens 1 antwoord mogelijk is.

Om rustiger te kunnen nadenken kun je deze bladzijde uitprinten... (printbare versie)

 

 

Mail me je antwoorden, dan krijg je de juiste snel teruggestuurd.
Zie adres beneden aan de bladzijde.
Veel succes!

Voor beginnende filosoofjes vanaf 8 jaar:
de Wijsjesquiz

Voor jongeren vanaf 13 jaar:
de Benikwelgoedwijsquiz

Voor jongeren vanaf 14 jaar:
de Wijsneuzenquiz

Voor jongeren vanaf 16 jaar:
de Hersenknarsquiz


1. Als je filosofeert, zoek je naar
(a) helderheid
(b) gedachten
(c) waarheid
(d) woorden

2. Als je iets zeker weet, dan
(a) geloof je het
(b) ben je ervan overtuigd
(c) verander je nooit van mening
(d) twijfel je nog een klein beetje

3. Jouw kennis
(a) verandert nooit
(b) verander snel
(c) breidt zich langzaam uit
(d) vergeet je snel

4. Kennis krijg je door
(a) naar anderen te luisteren
(b) naar jezelf te luisteren
(c) naar niemand te luisteren
(d) naar dieren en bomen te luisteren

5. Inzicht krijg je door
(a) naar anderen te luisteren
(b) naar jezelf te luisteren
(c) naar niemand te luisteren
(d) naar dieren en bomen te luisteren

^ top ^

6. Als je veel weet, dan heb je veel
(a) kennis
(b) ervaring
(c) inzicht
(d) geduld

7. Als je wijs bent, dan heb je veel
(a) kennis
(b) ervaring
(c) inzicht
(d) geduld

8. Iets inzien is iets
(a) langzaam begrijpen
(b) langzaam bedenken
(c) snel begrijpen
(d) snel bedenken

9. Inzicht
(a) kan je snel leren
(b) moet je zelf vinden
(c) krijg je met de paplepel ingegoten
(d) is slechts enkelen gegund

10. Als je filosofeert, verhelder je
(a) jezelf
(b) je gedachten
(c) je woorden
(d) je beelden

11. Wat gaat aan filosoferen vooraf?
(a) bewondering
(b) verbijstering
(c) verbazing
(d) verwondering


12. Filosoferen heeft het meest te maken met
(a) nadenken
(b) dagdromen
(c) fantaseren
(d) discussiėren

13. Delen van de werkelijkheid komen in je hoofd via
(a) beredenering
(b) herinnering
(c) bewustwording
(d) waarneming

14. Om te kunnen filosoferen moet je
(a) redelijk zijn
(b) zedelijk zijn
(c) degelijk zijn
(d) bedenkelijk zijn

15. Iets begrijpen doe je met je
(a) hoofd
(b) hart
(c) gevoel
(d) verstand

^ top ^

16. Filosofen houden van
(a) wijsheid
(b) slimheid
(c) diepzinnigheid
(d) goedheid

17. Als je argumenteert, zoek je naar
(a) goede zinnen
(b) goede verzinsels
(c) goede redenen
(d) goede redeneringen

18. Als je iets begrijpt, heb je
(a) overzicht
(b) doorzicht
(c) inzicht
(d) nazicht

19. Filosofen zijn
(a) onwijs gierig
(b) wijsgerig
(c) eigenwijs
(d) wijs

20. De kennis die het meest op inzicht en levenservaring berust, heet
(a) filosofie
(b) wetenschap
(c) geleerdheid
(d) wijsheid

^ top ^

21. Iemand die zich inbeeldt alles te weten, is een
(a) wijsgeer
(b) wijsneus
(c) denkhoofd
(d) studiehoofd

Home    Inleiding     Socrates    Artikelen    Onderwijs    Vragen    Suggesties     Quizzen    Voorbeelden    Tekeningen    Verantwoording    Links

^ top ^

laatste bijwerking 06/01/2006

stuur je antwoorden naar:

© Robert de Vos